Page tree
Skip to end of metadata
Go to start of metadata

iPubCMD(.exe) maakt het mogelijk om lokaal, op een Windows computer of -werkstation, de output van GetConnectoren vanuit AFAS Profit weg te schrijven (in een lokale- of netwerkmap) als .XML of .CSV bestand.

Wordt gebruik gemaakt van AFAS Online in combinatie met iPubCMD dan zijn de volgende bestandsformaten  beschikbaar:

ExtensieType
.XML

Microsoft DataSet

 

Microsoft DataSet. Lege elementen (elementen zonder waarde) worden ook meegenomen in de XML

.CSV

Puntkomma (datums en getallen in formaat van regionale instellingen)

 

Tab (datums en getallen in formaat van regionale instellingen)

 

Puntkomma (dd-mm-yy voor datums en punt als decimaal scheidingteken voor getallen)

 

Tab (dd-mm-yy voor datums en punt als decimaal scheidingteken voor getallen)

Voorbeeldaanroep

In het bovenstaande voorbeeld wordt op de AFAS Online omgeving "O12345AA", met gebruikersnaam (Connectorgebruiker) 12345.extern. Tevens zijn wachtwoord, logbestand, GetConnector-naam en outputbestand opgegeven, inclusief enkele opties (zie onderstaand).

UTF-8 encoding

Icon

Wanneer resultaten ontvangen dienen te worden in UTF-8 formaat kan voor de omgevingsnaam UTF. worden meegegeven. In de aanroep wordt dan dus bij de omgeving volgens bovenstaand voorbeeld niet "O12345AA"  meegegeven, maar "UTF.O12345AA"

Syntax

Gegevens

 

Actie:

GETCONNECTOR

Algemene opties:

Standaard.

  • De gebruiker die deze actie uitvoert, moet hiertoe geautoriseerd zijn.
  • /O en /L zijn verplicht.

Voorbeeld:

"C:\Program files (x86)\Profit\AFAS Windows\Kernel\Bin\AFASCMD.EXE" /O"ADM" /G"EXT" /W"qwerty" /L"C:\Woonplaatsen.log" GETCONNECTOR /N"Woonplaatsen" /F"C:\Woonplaatsen.xml" /O1 /I”Nederland.xml” /M /S2 /Y

Gebruiker ’EXT’ met wachtwoord ’qwerty’ wordt ingelogd in omgeving ’ADM’.

De GetConnector ’Woonplaatsen’ wordt aangeroepen en het resultaat wordt met veldnamen als XML weggeschreven in het bestand ’C:\Woonplaatsen.xml’; dit wordt overschreven als het bestand al bestaat.

Het gebruikte XML-schema is de Microsoft DataSet.

Extra opties

Optie

Uitleg

/N<getconnector naam>

Naam van de GetConnector (verplicht).

/F<uitvoerbestand>

De naam van het bestand waarin het resultaat van de GetConnector moet worden opgeslagen (verplicht).

/O<uitvoerformaat>

Formaat waarin het resultaat van de GetConnector moet worden opgeslagen (verplicht):

  • 1 = XML
  • 2 = Tekst met scheidingstekens

/I<filters-XML-bestand>

xml-bestand met een toe te passen filter bij het uitvoeren van de GetConnector.

U kunt de indeling van het filter nagaan met de knop Filter-XML in de GetConnector. Let op: de liggende streepjes die hier worden getoond voor de eerste twee regels van het filter, dienen niet voor te komen in het aangeleverde filterbestand.

/M

Bij gebruik van deze optie wordt de metadata (veldnamen) opgenomen in het resultaat.

/S<opmaak>

Het XML-schema of het scheidingsteken dat gebruikt moet worden (optioneel, heeft standaard de waarde 1);

  • Hiervoor geldt bij uitvoer in XML (1):
    • 2 = Microsoft DataSet
    • 3 = Microsoft DataSet, waarbij ook lege elementen (elementen zonder waarde) worden meegenomen in de XML.
  • Bij uitvoer in tekst met scheidingstekens (2):
    • 1 = Puntkomma (datums en getallen in formaat van regionale instellingen)
    • 2 = Tab (datums en getallen in formaat van regionale instellingen)
    • 3 = Puntkomma (datums en getallen in vast formaat)
    • 4 = Tab (datums en getallen in vast formaat)

      Vast formaat betekent: dd-mm-yy voor datums en punt als decimaal scheidingteken voor getallen.

       

/Y

Door het uitvoeren van deze commandline ontstaat er een uitvoerbestand. Als er al een uitvoerbestand is, heeft u twee mogelijkheden:

  • Records toevoegen aan het bestaande bestand. U past de optie /Y niet toe.
  • Oude bestand overschrijven met een nieuw bestand. U past de optie /Y wel toe.

    Deze optie kan alleen gebruikt worden in combinatie met de optie /02 (uitvoerformaat = Tekst met scheidingstekens).